Historie

De voorgeschiedenis
Uit oude kaarten, waarop de toestand in Noord-Holland in 1288 staat aangegeven, blijkt dat West-Friesland en ook de Zeevang reeds waren omdijkt.
Alleen het gedeelte tussen Schardam en Etersheim stond in open verbinding met de Zuiderzee. Eb en vloed hadden nog vrij toegang tot het oude land met zijn plassen, wat nu de droogmakerijen de Beemster, de Purmer en de Schermer zijn.
In 1315 werd de dijk aangelegd tussen de Westfriese Omringdijk en de Zeevangsdijk. Dit stuk dijk is de Schardam- en Keukendijk.
De Korsloot, de belangrijkste van de uitstromen, werd voorzien van een schuifsluis en het land achter de nieuwe dijk werd nu een stuk veiliger. Zo ontstonden ter weerszijden van de Korsloot de polders Westerkoog en de Beetskoog waarvan bekend is, dat ze voor 1388 reeds waren omdijkt en verkaveld. De noordelijke dijk van de polder de Zeevang werd daarmee de zuidelijk dijk van de Westerkoog en werd door zijn kronkels Slingerdijk genoemd. Het zal geen hoge dijk geweest zijn. Thans is het een gewone weg die nu officieel Oosteinde heet. Vanaf de bocht in het Oosteinde tot aan de IJsselmeerdijk heet het laatste stuk nu Etersheim.
Het is de genoemde bocht die vraagtekens oproept. Waarschijnlijk is hier bij stormvloed een stuk dijk weggeslagen en zijn er de braken ontstaan die de Etersheimerbraakpolder zouden gaan vormen.
Over de eerste paar honderd jaar na de droogmaking van de Etersheimerbraak, welke werd voltooid in 1632, is niet zo veel meer bekend.
Tijdens de dijkdoorbraken in 1775 en 1825, zal stellig de Etersheimerbraak ook zijn vol gelopen.

De Molen
Dat het leven in een molen, midden in het veld, weinig afleiding of gezelligheid gaf, is mogelijk de oorzaak dat molenaar G. Pronk en zijn vrouw in 1869 allebei aan de drank raakten. Toen het polderbestuur dat ontdekte, werden zij er per brief op gewezen, dat dit absoluut niet getolereerd kon worden wegens brandgevaar en andere schade door onbekwaamheid.

Op 14 April 1869 werd de brief verzonden.

In 1880 vierde het molenaarsechtpaar het 25-jarig ambtsjubileum met de nodige consumpties. Helaas raakten ze niet helemaal van de drank af, maar dat de molen een jaar later afbrandde was niet hun schuld. In maart 1881 stak een hevige storm op. De molen die niet was vastgezet ‘ging aan de loop’. Draaide dus niet met de wieken op de wind maar van de wind af. De molen kon bijtijds worden gestopt en de schade viel mee, maar de molenaar bleek weer onder invloed. Een onmiddelijk ontslag werd hem bespaard maar hij moest wel een veklaring tekenen waarin hij beloofde aan het polderbestuur dat hij zijn “pligt als molenaar getrouw te vervullen en de molen malende zijnde, bij de molen te zullen blijven en bij de eerste overtreding of pligtverzuim, aanneem op het eerste bevel van het college van bestuur binnen acht dagen de molen te zullen verlaten met al hetgeen hem toebehoort”.
Oosthuizen 28 maart 1881. w.g. G. Pronk

Ruim een jaar later werd de polder door een zware ramp getroffen toen op “Dinsdag 13 juni 1882 door het buitengenwone zware onweder de bliksem in de molen sloeg en die totaal verbrandde.”

Krantenartikel uit die dagen.
Oosthuizen – Dinsdagavond jl. werden in deze gemeente drie molens door de bliksem getroffen, waarvan twee geheel verbrandden. De molenaar uit de molen van de Zeevang had nog den tijd om met zijn vrouw en zes kinderen te vlugten. Treuriger lot trof echter de molenaar uit de Etersheimer braak; geheel verschroeid en met half verbrande kleederen, wist de molenaar uit den brand te ontkomen, doch zijne vrouw is daarin noodlottig omgekomen. De molen is geheel uit elkander geslagen. Op 100 meter afstand rondom de ruïen vond men weggeslingerde stukken hout.
Beide molens waren verzekerd bij de Noordhollandse Brandwaarborg-Maatschappij te Oudkarspel verzekerd en de schade, werd door de Heeren Directeuren ten volle genoegen van de verschillende besturen in der minne geregeld.

Het bestuur van de Etersheimerbraakpolder is zeer voortvarend te werk gegaan met de aanbesteding voor de herbouw van de molen.
Vanaf de aanbesteding tot het weer maalvaardig zijn van de nieuwe molen was maar 10 weken nodig. Een advertensie van het bestuur van de polder vermeld dit op 20 November 1882.

Het dankbare bestuur kon niet vermoeden, dat ze nog geen vier jaar later opnieuw konden beginnen. In 1886 voltrok zich opnieuw een ramp.

Krantenartikel
Oosthuizen 23 juni –  Bij het onweder van heden avond sloeg de bliksem in den “Breeker” molen, die in korte tijd geheel afbrandde. Denzelfde molen of liever zijn voorganger trof vier jaar geleden een dergelijk lot, waarbij van de toenmalige bewoners de vrouw om het leven kwam. Thans hadden de bewoners , Hellingman en zijne vrouw; zich even van te voren uit voorzorg naar het op eenige afstand staande koe-huisje begeven. Ook sloeg de bliksem in den molen van P. Huigen in de Oosthuizerkoog zonder brand te veroorzaken; mede in dien van P. de Boer alleen werden een paar schoorsteentegels en een te vuur staande koffieketel vernield.

Op zaterdag 10 juli 1886 werd aanbesteed “het bouwen van een Watermolen met toebehoren”. Op 8 november 1886 werd de nieuwe molen in gebruik genomen, onder dankzegging aan de bouwers en architect, door C Kaaskoper voorzitter en C. Nooij, secretaris.

Door allerlei aanpassingen aan de Etersheimerbraakpolder had de molen te weinig capaciteit om deze polde goed te bemalen. Zeker bij windstilte en dooi dan kwamen er problemen. In 1920 werd besloten om op de laagste plek, aan de toegangsweg naar de polder een nieuw elektrisch gemaal te bouwen en werd de molen als woning verkocht aan molenaar Koning voor f 800,– Spoedig nadat de molen geen dienst meer deed, werden de wieken er af gesloopt en in 1935 werd ook de kop er afgehaald.
Als gehavend monumentje kan de afgeknotte molen nog tot in lengte van dagen een stukje zichtbare geschiedenis blijven.

Van stomp tot molen
Hij stond er al sinds 1930, een halve molen die de laatste tijd steeds schever zakte en in die prachtige omgeving een een verloren indruk maakte.
Van de stomp verwachte niemand zo veel meer; op termijn zou hij wel verdwijnen waarmee vier eeuwen waterstaats geschiedenis op deze plaats een einde zou zijn gekomen. Maar het zou anders lopen.

 

     

Op 6 juni 1996 werd de toenmalige eigenaar Wijndel J.G. Jongens benaderd door Gerrit Keunen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, belast met o.a. de molens in Noord-Holland. Hij zou het wel mooi vinden als er met deze stomp een herhaling zou plaats vinden van wat er was gebeurd in 1987-1988 met soortgelijke stomp van de polder Katwoude. Daar was met veel toewijding en inspanning het restant weer getransformeerd tot een maalvaardige molen.
Maar draagvlak bij de burgerrij was daarbij onontbeerlijk.
Het scheppen van draagvlak is gelukt en op 22 decenber 1998 werd de eerste vergadering van de Molenstichting De Etersheimerbraak en Kleiput (in oprichting) gehouden.
Eerste zorgen waren: aankoop van de stomp en het verkrijgen van de rijksmonumentenstatus. Vooral dit laatste is immers onontbeerlijk voor het verkrijgen van subsidies.
We kregen deze felbegeerde status pas op 28 december 1999 na een indringende brief van de secretaris en ondanks het feit, dat de Raad voor Cultuur negatief adviseerde.
De eerste schattingen van de herbouw en restauratiekosten van de molen en de bouw van het bezoekerscentrum waren € 919.735,– inclusief BTW. De provincie zou hiervan de helft bijdragen uit het het FINH fonds. Het vinden van sponsoren was dus absoluut noodzakelijk.

Toen de stichting begon met de restauratieplannen, speelde er iets dat de plannen had kunnen doorkruisen. Enkele jaren daarvoor waren er een paar keer kritieke situaties ontstaan met berging van de Schermerboezem door overvloedige regeval. Hierdoor was ondermeer de buitendijkse bebouwing in Beets en Oudendijk onder water gelopen. Om dit te voorkomen, wilde men overlooppolders voor tijdelijke waterberging creëren en o.a. de Etersheimerbraak en de Kleiput zouden daarvoor moeten gaan dienen.
De stichting heeft zich hierdoor niet van de plannen laten afbrengen en heeft aan de hand van een bestek de restauratie van de molen aanbesteed op 14 April 1999. Het werk werd opgedragen aan de laagste inschrijver Kistemaker en Korver te Middeenbeeemster/Obdam.
Door de tijd die de stichting kwijt was met het zoeken naar sponsoren, kon de opdracht tot restauratie niet eerder worden verleend dan op 28 juni 2000.

Het VSB fonds te Middenbeemster maakte het met een royale gift mogelijk om de bestaande molen te kopen. Op 5 juli 2000 werd de stichting na taxatie eigenaresse van de molenromp van een voormalige watermolen, ondergrond, erf en verder toebehoren.
Voorts kreeg de stichting tot 31 oktober 2014 het recht van erfpacht van het Waterschap De Waterlanden van de ondergrond van de bliksemschuur.

Practisch vanaf het begin wilde het bestuur een ontmoetings- en voorlichtingscentum bij de molen, waarbij voor de molen gedacht werd aan inrichting van het interieur als klein stijlmuseum. In de vijfde vergadering op 14 april 1999 werd besloten in het bezoekerscentrum ook een permanente woning te bouwen, zodat het toezicht op het geheel werd gewaarborgd.

Door de medewerking van alle belanghebbende en toen er geen bezwaren waren op 26 april 2000 tegen de bouwvergunning van het nieuwe bezoekerscentrum, kon er in de dertiende vergadering de opdracht verleend worden, wat met het heffen van een glas champagne werd beklonken. Voor de molen was geen bouwvergunning nodig, omdat dit werd gezien als herstel.

Na veel vergaderen en overleg en hard werken door de aannemer was het dan zover dat op 25 september 2002 de molen werd terug geplaatst op de nieuwe fundering, de kap werd geplaatst en de roede gestoken. Op het einde van die dag stond er na meer dan driekwart eeuw uiterlijk weer een complete molen.

In januari 2003 is de molen weer bedrijfsvaardig en de molenterp gestort.

Bron: Historische Vereniging Oosthuizen.